Haast en actie
In deze tijd vol haast en actie, van meer doen dan niet-doen,
willen we eens stilstaan bij de diepere betekenis hiervan. Waarom staat
het doen, het steeds maar handelen zo centraal in ons leven? ‘Ledigheid
is des duivels oorkussen’, zo luidt een oud spreekwoord en
veronderstelt dat een luiaard iemand is waarin de duivel zich graag
nestelt, als in een bed, rustend op een (oor)kussen.
‘Haast’, zo schreef de filosoof Cornelis Verhoeven eens in zijn boek Inleiding tot de verwondering,
is ‘een vorm van woede, gericht tegen het uitstel, onverdraagzaamheid
tegen de niet-identiteit.’ ‘Haast’ is volgens deze in de jaren zeventig
veel gelezen en met prijzen bekroonde filosoof, ‘een vorm van geweld’.
Zijn fijnzinnig beschouwend werk dat stilstaat bij het vermetel handelen
van de moderne mens, wordt nauwelijks meer gelezen. We leven inmiddels
in een tijd van het ‘Yes we can’ (impliciet de vele leugens). Sinds we
dankzij de wereldwijde onthullingen van Edward Snowden, voormalig
medewerker van de NSA (National Security Agency), weten dat deze NSA op
schandalige wijze iedereen bespioneert en controleert, kunnen we aan dit
‘Yes we can’ nu ook ‘Yes we scan!’ toevoegen. Slechts weinigen staan
stil bij de grote consequenties hiervan, in 2006 al beschreven in mijn
boek Worden Wij Wakker? (blz. 102-108).
Gelaat en gezicht
Altijd zijn we maar bezig, druk doende. Er is immers veel te doen. Of
datgene wat we doen ook werkelijk nodig is, van belang is, betekenis
heeft, bijdraagt aan het welzijn van de levende wezens, lijkt nauwelijks
relevant te zijn. Tijd om elkaar eens echt in de ogen te kijken is er
nauwelijks meer. Woorden als menselijk ‘gelaat’ zijn verouderd en worden
door de moderne computers met een ribbeltje eronder aangegeven en in
het spellings- en grammaticacontrole-programma omschreven als ‘ouderwets
taalgebruik’. De computer heeft een voorkeur voor het woordje ‘gezicht’
en werkt nauwkeurig mee aan de taalslijtage volgens Orwells boek 1984,
waarin het partijprogramma voorschrijft dat ter wille van ‘nieuwspraak’
allerlei woorden die ons verbinden met een verleden vol gevoelens en
gedachten geschrapt dienen te worden. Schrappen dus dat woordje? Zoals
honderden andere woorden?
Het woordje gelaat echter bevat een grotere rijkdom dan het woordje
‘gezicht’. Gelaat omvat alle trekken van het ‘aangezicht’, waarin zich
karakter, gevoelens en gedachten aftekenen. Gezicht beperkt zich tot een
vluchtige waarneming van het gelaat, waarin momenteel zelfs het
sleutelwoord zien ook nog in verdwenen is. In relatie tot Krishna, de Boeddha of Jezus spreken we nooit over hun ‘gezicht’, maar wel over hun gelaat
en hun gelaatstrekken. Contemplatie over het menselijk gelaat, betekent
stilstaan bij niet alleen het zien (de ogen), maar bij de totaliteit
van de mens die zich op wonderlijke wijze openbaart in het gelaat, in
een bijna onweegbaar ‘gelaten’ zijn, dat in een groter geheel is
opgenomen dan het eigen willen, het eigen doen.
In de woorden gezicht en gelaat komt het subtiele onderscheid naar voren
tussen doen en niet-doen, tussen ego loze contemplatie en actie vanuit
het ego. Het waarnemen van heel de mens gaat bij tallozen ‘zienderogen’
achteruit. We lijden niet alleen aan gezichtsverlies, maar ook aan
verlies van innerlijke herkenning van de ander als dé Ander. De Franse
filosoof Emmanuel Levinas wijdde in de jaren zeventig zelfs een boek aan
‘Het menselijk gelaat’.
Facebook en getsjilp
De moderne mens wendt zich graag tot ‘facebook’ en is vooral
geïnteresseerd in ‘volgers’, echter niet om te vertoeven in een verstild
samenzijn en samenzien, in herkenning en erkenning, maar om
een aantal vrienden en vriendinnetjes te ‘scoren’. Een virtueel gezicht
met van kunstlicht vervulde ogen, al dan niet uitgerust met een zoete
glimlach (smile), eventueel met ontblote tanden als het gebit
nog in goede staat verkeert, boeit menigeen meer dan een werkelijk
oogcontact. De computer heeft voor die smile zelfs een symbooltje, dat het gezicht nog verder vertekent. We twitteren (het Engelse woord to tweet betekent ‘tsjilpen, kwetteren, piepen’) en sturen tweets
naar elkaar die een ‘aanfluiting’ zijn voor het creatieve taalvermogen
en iedere literaire ontplooiing voorgoed kortwieken. Na de turbotaal
van zo’n vijftien jaar geleden, die de voortgaande slijtage van de taal
vergrootte en de mens steeds meer vervreemde van het vermogen tot echte
communicatie, heeft een wijdverbreid gekwetter via het ‘wereldwijdweb’
(www) het luchtruim veroverd. Menig vreemde vogel is daarbij de koers
kwijtgeraakt en beseft niet eens meer dat de wel of niet anonieme ‘korte
berichtjes’ (meestal vol taalfouten, maar wie kijkt daarna!) meer
bijdragen aan verwarring en geestelijke ontreddering dan aan innerlijke
herkenning. Luidt de slogan immers niet: ‘You make the difference’!
Inderdaad. Maar waarin? Drukke bezige bijtjes zijn velen geworden,
besmet door het roundup-vergif van Montsanto die mee rust op ons
‘oorkussen’. Kort door de bocht? Wellicht, maar onze remmen lijken
compleet doorgebrand, al heeft alles natuurlijk toch een zekere zin.
Bezigzijn, doen, de wereld verbeteren, communiceren, wereldwijd contact
maken… Ach ja, maar met wie? Waarom? Waarover? Zou niet beter veel
nagelaten kunnen worden in plaats van gedaan te worden?

Het verschil tussen doen en
niet-doen, tussen doen en achterwege laten, omvat een tussenruimte, een
stilte, waarin overweging plaats kan vinden die ademruimte geeft. Het is
als een pauze die op natuurlijke wijze elkaar verbindt als een ‘trait
d’union’.
Captains of industry, politici, ja zelfs pausen, moella’s, pastors,
dominees en rabbi’s, zij twitteren alom. Over onbenullige en ernstige
zaken, over verheven en platvloerse dingen. In verminkte taal, in soms
onbegrijpelijke woorden. Talloze volgers tsjilpen terug. Een grote zwerm
spreeuwen, een immense groep grijze mussen. Gekwetter alom. En het
Woord is gekwetter geworden, woont al lang niet meer onder ons, is
vleugellam geworden, kan niets meer doen omdat wij zo nodig alles zelf
willen doen. ‘You make the difference!’ Inderdaad. Maar wee hem of haar
die kritiek heeft op zinloos gekwetter. Hij of zij wordt waarschijnlijk
bedolven onder honderden tweets en mailtjes.
Dubbelspraak, ipods en smartphones
Tijd voor bezinning is er nauwelijks meer. In themaweken,
bezinningsdagen en New age-cursussen wordt op dit gebied van alles
aangeboden, van oerkreettherapie tot erotische massage, van
kleurentherapie tot stilteweek, van spirituele reis tot lachtherapie. De
kachel moet ook daar roken.
De populariteit van een politicus wordt maar al te vaak gemeten op grond
van zijn gekwetter. We wonen al lang niet meer in een stenen of houten
huis, want we hebben een email-adres, een elektronisch adres,
dat overigens door één zonnestorm kan worden weggevaagd en ieder moment
van de dag door Big Brother wordt gecontroleerd, van ‘voordeur’ tot
‘achterdeur’. Gelukkig is er de Grote Googelaar, die zijn
lijfspreuk ‘We don’t do evil al lang geleden tot leugen maakte en al
hetgeen we doen en niet-doen doorgeeft aan Big Brother. Dubbelspraak à la Orwell’s 1984. En natuurlijk is er de ipod en de smartphone, de slimme (smart)
telefoon. Alles in één vernuftig elektronisch apparaatje vol straling.
Televisie kijken, internet raadplegen, sms’jes en mails versturen,
fotograferen, facebook inzien, automatisch betalen, de auto afsluiten op
afstand, googelen, routeplannen… We kunnen het allemaal doen. Want we
zijn slimme mensen geworden, die slimme meters hebben, slimme quizzen,
slimme geleerden, slimme politici. Dat intussen hersentumoren,
teelbalkanker, geheugenslijtage, concentratieverlies en allerlei andere
gezondheidsklachten schrikbarend toenemen (wetenschappelijk bewezen
feiten), mag goed nieuws zijn voor farmaceuten, maar is wel een
ondermijning van de menselijke gezondheid op wereldschaal en een aanslag
op de werkelijke communicatie. De drukdoende mens lijkt dit alles niet
echt te raken. We nemen het ‘op de koop toe’. Stel je voor dat onze
geest eens even rust zou krijgen, dat onze zintuigen zich even zouden
kunnen ontspannen, niet dolgedraaid worden door hyperactiviteit en
talloze non-sense, die de zingeving van ons bestaan ondermijnen? Nam de
schepper een dagje vrij na al zijn scheppingsactiviteiten, wij troosten
ons met één autoloze zondag per jaar.
Op de fiets, onder het joggen, in de bioscoop, tijdens een vergadering,
een bezoekje, het werk, onder het winkelen, de slimme ipod en de slimme
telefoon zijn er altijd. Handig toch die ‘handy’s’? Vooral na een door
onachtzaamheid veroorzaakt ongeluk.
Niet-doen en ingrijpen
Miljarden worden per jaar besteed aan zinloze berichten, aan overtollig doen
dat beter kan worden nagelaten. Waarom zoveel drukte? Waarom altijd
maar iets doen? En nogmaals: waarmee zijn we toch zo druk doende? ‘Al
doende leert men’, zo zegt een ander spreekwoord. Maar wat? Het herhalen
van onze oeroude fouten en vergissingen? Wat leren we werkelijk? Waarom
leren we niet, al is het maar een beetje, van het niet-doen? Niet niets-doen, wat in feite een onmogelijkheid is, maar niet-doen, een levenshouding die het resultaat is van inzicht, van het inzien dat onze
activiteiten, ons ik-gerichte-doen vaak meer schade aanricht dan heil
brengt aan de levende wezens. Bovendien blijven we verbonden met de
vruchten van onze handelingen. Wat we zaaien zullen we eens oogsten.
Interventie, ingrijpen, onmiddellijk optreden, het zijn veel gehoorde
woorden in de wereldpolitiek, die maar al te vaak machtswellust, egoïsme
en neokolonialisme verhullen en in plaats van werkelijke democratie, demoncratie
voortbrengen. Olie, gas en allerlei andere grondstoffen bepalen wat
‘jaknikkers’ in de politiek als marionetten van olie en goudbaronnen
mogen zeggen en doen. Hun daden brengen veel lijden, woede en
vernietiging. Misschien moeten we wel ‘te doen’ hebben met de drukdoende
mens, die net als een tol maar ronddraait zonder te beseffen dat de
zweepslagen van begeerte door hem zelf veroorzaakt worden of toegelaten
worden door zijn onwetendheid, volgens de Boeddha dé oorzaak van alle
ziektes en lijden.
Wu wei, niet-handelen
Cultuur van de stilte
Velen voelen zich pas in ‘goede doen’, als ze hun zaakjes in
orde hebben, als hun ‘handel’ en wandel’ in orde is. We leven steeds
meer in een cultuur van het lawaai, in tegenstelling tot een cultuur van
de stilte. Kennen we hem nog? Karlfried Von Dürckheim, die zo
zachtmoedig over de cultuur van de stilte schreef? We gaan maar door,
opgejaagd door duizend en één nachtmerries van onwetendheid, in ons
achterhoofd misschien toch nog de spreuk ‘haastige spoed is zelden
goed’. Er moet altijd iets gedaan worden. ‘Doet u maar’ zeggen ze in
Vlaanderen, maar daarmee wordt op wellevende wijze bedoeld dat u als
eerste het woord krijgt, vermoedelijk omdat u wat te snel in uw primaire
reactie was. Sommige Nederlandse politici, die beledigende of
schimpende woorden naar elkaars hoofd slingeren via mevrouw of mijnheer
de voorzitter, die als ‘kop van jut’ fungeert, kunnen van dit ‘doet u
maar’ wellicht iets leren. Helaas is de internationale manier van
politiek bedrijven al lang geen sieraad meer om bij de afdeling
onvervreemdbare kostbaarheden bij te zetten.
Een rijke boer ging failliet. Als
een ingenieur had hij zijn gemengd bedrijf geleid. Veel machines,
computers, automatische melk- en voederinstallaties en zelfs de stallen
werden automatisch gereinigd. Maar failliet ging hij en hij besloot op
zoek te gaan naar de oorzaak ervan. Na een tijdje kwam hij bij een
Tibetaanse leraar. Van alles probeerde hij om met deze leraar in gesprek
te raken. De stille faam van deze man was bekend. Hij zweeg echter.
Keer op keer, bij iedere vraag. Soms een spaarzaam woordje en een
glimlach. Tot op een dag de man de techno-boer een spade gaf en hem
vroeg om een gat in de aarde te graven. Vervolgens gaf hij hem een
fruitboompje en vroeg hem dit te planten. De boer deed alles wat de
leraar hem vroeg, blij dat hij eindelijk iets kon doen.
‘Kijk’, zei de leraar. ‘Het is nu voorjaar. In het voorjaar moet je een
gat in de aarde graven, het liefst na een regenbuitje. Dan pas plant je
een boompje. Spreek er een goede gedachte bij uit en de natuur doet de
rest…’ Het is allemaal een kwestie van op de juiste tijd even iets doen
en daarna veel nalaten.
Hyperactiviteit en angst voor de dood
Zou onze hyperactiviteit, onze dadendrang, die meestal niets te maken
heeft met werken voor het heil van de levende wezens, iets te maken
kunnen hebben met een verborgen angst voor de dood? Denken we nog
dagelijks even over de dood na? Kennen we nog de ‘ars moriendi’, de
kunst van het leren sterven vóór het sterven, zoals de mystici in de
middeleeuwen bekend was? Kan het zijn dat een cultuur die handelt vanuit
een middelpuntvliedende snelheid in wezen bang is voor de dood?
Beseffen we wel dat iedereen eens de laatste adem uitblaast en deze adem
dan teruggegeven wordt aan de Grote Adem? Hyperactiviteit veroorzaakt
niet voor niets maar al te vaak hyperventilatie. Leven we nog in
overeenstemming met de éne Ademhaling, het Woord, dat doorstraald wordt
door de Grote Stilte? Sterfelijk zijn we, zolang we aan naam en vorm
gebonden zijn. Dat leerde de Boeddha al 2600 jaar geleden. Zelfs de langlevende goden,
zo leerde hij, zullen eens sterven. Ook Jahwe moest als een Zeus op de
Olympus toegeven als ‘voorzitter’ van de raad der goden, dat ook alle
goden sterfelijk zijn, net als de mens en de vorsten der aarde (psalm
82).
Kosmische perfectie
Een professor filosofie had de schipbreuk ingezien van zijn levenswijze.
Titels telden niet meer voor hem en ambitie was gestorven in zijn
depressie. Ook hij kwam bij een leraar uit. In een zen-klooster. Al gauw
kreeg hij een bezem in zijn handen gestopt en moest de binnenplaats
schoonvegen. Drie keer per dag. Een ruime binnenplaats. Middenin stond
een e tempelboom. Een week lang veegde hij drie keer per dag het plein
schoon. Het was herfst, zodat er iedere keer weer nieuwe bladeren op de
grond lagen. En steeds als er geen blaadje meer lag, liep hij snel naar
de zenmeester met het verzoek te komen zien hoe schoon de binnenplaats
was. Steeds was er een krakend gebrom als reactie. Tot de dag aanbrak
dat de professor het moe was en het nog één keer wilde proberen. Hij
liet de zenmeester weten dat alles perfect in orde was. De meester liep
rustig naar de tempelboom, schudde er stevig aan, zodat de laatste
herfstblaadjes op de grond vielen en zei toen: ‘Kijk, zo is het
perfect!’. Wat een les voor onze overtollige dadendrang, onze drang naar
steeds weer willen doen, ons streven naar perfectie, dat alleen maar
ons onvermogen laat zien wat kosmische perfectie is.
‘Dat is volmaakt. Dit is volmaakt.
Volmaakt komt van volmaakt.
Trek volmaakt af van volmaakt,
wat overblijft is volmaakt.
Moge vrede en vrede en vrede overal zijn.
Isha-Upanishad, invocatie

Alles wat we gedaan hebben. Waar is
het gebleven? Onze trotse en protserige gebouwen? Onze torenkrabbers,
onze machtige culturen? Onze ‘hoge’ beschavingen, onder welk
vernislaagje van het ‘beschaven’ maar al te vaak het barbarisme slaapt?
Waar is het machtige Egyptische rijk gebleven? Het Perzische,
Babylonische, Assyrische, Romeinse, Griekse rijk? De Arabische ‘lente’,
gemanipuleerd door machtswellust achter de schermen van het
wereldtoneel, is tragisch omgeslagen in een Arabische winter. Het
Amerikaanse wereldrijk met zijn voortdurende interventiedrang en
verlangen naar wereldmacht, zal het volgende rijk zijn dat spoedig ten
onder zal gaan. Dat is een kosmische wet. Een wet die alles te maken
heeft met een essentiële onevenwichtigheid tussen doen en niet doen.
Wijze lessen kunnen we leren van de ‘ouden’ die in vergetelheid zijn
geraakt. Het kan ons wel eens heel duur komen te staan, als we vergeten
wat we nooit zouden moeten vergeten, afgeleid door gekwetter, getjilp,
onachtzaamheid, onwetendheid en dwaasheid.
Ter overweging:
‘…Daarom verblijft de wijze
bij alles wat hij doet in het niet-doen
en onderricht de leer zonder woorden.
De tienduizend dingen komen op,
maar hij maakt er geen aanspraak op;
hij laat ze gedijen
en beschouwt ze niet als zijn bezit.
Hij doet en verlangt niets voor zichzelf,
niets van hetgeen hij volbrengt
eigent hij zich toe,
en omdat hij er niet aan hecht
verliest hij ook niets.’
Lao Tzu, Tao-te ching, spreuk 2

‘Je hebt alleen recht op het handelen,
nooit op de vruchten ervan.
Laat de vruchten van je handelingen niet je drijfveer zijn,
maar wees ook niet gehecht aan niet-handelen.’
Bhagavad Gita (II,47)
‘Zoals de onwetende handelt uit gehechtheid aan handelen,
o Bharata (held), zo dient de wijze te handelen zonder gehechtheid,
het welzijn van de wereld verlangend.’
Bhagavad Gita, III, 25
‘Onder onthechting versta ik dat je je geen zorgen moet maken
of het gewenste resultaat al dan niet voortvloeit uit je handelingen,
zolang je motieven maar zuiver zijn en de manier waarop je handelt de juiste is.
Heus, het betekent dat alles uiteindelijk goed terecht zal komen
wanneer je je om de middelen bekommert
en de rest aan Hem overlaat.’
Mahatma Gandhi

‘Zolang iemand zichzelf ziet als handelend persoon,
wordt hij geconfronteerd
met de gevolgen van zijn handelingen.
Zodra iemand echter door middel van onderzoek beseft
wat het is dat handelt,
valt het gevoel de handelende persoon te zijn weg
en komt er een eind aan het drievoudig karma.
Dit is de uiteindelijke bevrijding.’
Ramana Maharshi
©Marcel Messing
Inzicht, november 2013
Antropoloog-filosoof Marcel
Messing benadert de werkelijkheid vanuit een holistische visie. Van
geboorte Nederlander, woonde hij 11 jaar in de Franse Pyreneeën en sinds
12 jaar in België. Hij publiceerde 25 boeken, waarvan verschillende in
vertaling, schreef vele artikelen en diverse dichtbundels, sprak en
spreekt regelmatig voor de radio, verzorgde en verzorgt vele lezingen en
themadagen, heeft geen internet, televisie, smartphone (of gsm) en
voelt zich toch geen 'digibeet'.
Bron: http://www.marcelmessing.nl/content.asp?m=M8&s=M17&ss=P293&l=NL